Naar de navigatie

De rol van de ontwerper in herbestemmingsprojecten

Herbestemming is anno 2011 de architectonische opgave bij uitstek. Dat heeft verschillende redenen. De tijd van onbeperkte groei en expansie is duidelijk voorbij, wat maakt dat we zuiniger moeten omgaan met het al bestaande. Ook is er een duidelijke herwaarding voor historie, en wordt er meer belang gehecht aan duurzaamheid.

Toch zijn er nog altijd veel gebouwen die ten onrechte onder de slopershamer verdwijnen. Een van de oorzaken daarvan is dat hergebruik heel eigen eisen stelt. Herbestemmingsopgaven zijn over het algemeen bijzonder complex, waarbij om te beginnen de potentie van een mogelijk te hergebruiken gebouw goed in kaart moet worden gebracht. Dat alleen al vraagt om de inzet van verschillende deskundigheden en om een integrale zienswijze, die lang niet altijd direct voorhanden zijn.

Daarnaast is ook een integrale aanpak nodig bij het ontwerpen. Architectonische ideeën, bouwkundige mogelijkheden en organisatorische oplossingen zullen elkaar moeten versterken. Van alle partijen wordt daarom vaak extra inzet en een grote inventiviteit gevraagd.

Dit geldt des te meer, omdat het dikwijls gaat om situaties die ook sociaal-maatschappelijk gezien ingewikkeld zijn, wat het nodig maakt om te kunnen samenwerken met zeer uiteenlopende betrokkenen. Tot slot is dit soort opgaven ook financieel vaak complex. Al is hierbij de belangrijkste ervaring, dat het nooit alleen maar gaat om financiële rekensommen.

Een breder ideaal, ofwel een duidelijke, maatschappelijke visie blijkt voor een mogelijk succes van hergebruik van het allergrootste belang.

Doel van de kennisbank

De BNA vind het belangrijk kennis rondom herbestemming toegankelijk te maken. Daarom heeft de BNA meegewerkt aan deze kennis- en projectenbank, die op initiatief vanuit de NPH (Nationaal Programma Herbestemming) is opgezet. Bedoeling van de kennis- en projectenbank is kennis en informatie over herbestemming ter beschikking te stellen, ter inspiratie en ondersteuning van de herbestemmingspraktijk.

BNA Onderzoek, de onderzoekstak van de Bond van Nederlandse Architecten, heeft in samenwerking met het NPH tien herbestemmingprojecten uitgezocht, om aan de hand daarvan speciaal de rol van de architect bij dergelijke herbestemmingprojecten te beschrijven. De architect, ofwel de ontwerper speelt bij dergelijke opgaven een essentiële rol, zij het – uiteraard – veelal in combinatie met een opdrachtgever die bereid is het avontuur aan te gaan. De uitgekozen voorbeelden laten zien hoe goede samenwerkingsverbanden kunnen leiden tot spraakmakende projecten en – niet onbelangrijk – sluitende business cases.

De kracht van de architect.

Niet iedereen kan het: in een leegstaand, verwaarloosd, verlaten gebouw, nog nieuwe mogelijkheden zien. Je moet als het ware dwars door de spinnenwebben heen kunnen kijken. Architecten zijn daar vaak goed in: zij hebben oog voor ruimtelijke kansen. Zij zien al voor zich wat er gebeurt als een schrootjesplafond wordt weggebroken, muren en vloeren worden hersteld. Opmerkelijk vaak zijn het daarom juist de architecten die bij hergebruikplannen een sturende positie innemen. Soms zijn ze initiatiefnemer, vaak – ouderwets – weer bouwbegeleider, terwijl ze in een enkel geval zelfs hun eigen (risicodragend) opdrachtgever zijn.
Soms zijn gebouwen eigenlijk al tot sloop gedoemd en ziet alleen een architect toch mogelijkheden om iets ervan te behouden. Dat gebeurde bij de Ludgerkerk in Lichtenvoorde, die zich nauwelijks leende voor een andere bestemming. Dankzij architect Hans van Beek, een vriend van de architect (Gerard Schouten) van die kerk, is deze toch gedeeltelijk blijven staan en vormt nu het hart van een nieuwe woonbuurt. De architect heeft hier zelf zijn opdracht en een financieringsmodel gegenereerd.

Of kijk naar het project voor de DoggeRIJ in Den Helder. Hier zagen de architecten van bureau LEVS dat een oude stolpboerderij zich wel degelijk leende om verbouwd te worden, en wel tot justitiële jongereninrichting. Zij attendeerden zelf een opdrachtgever op de potentie van het vervallen gebouw. En hoewel hier alleen de draagconstructie nog gered kon worden, heeft dat wel degelijk grote gevolgen. Zowel een beeldbepalend silhouet als een boerenbedrijf zijn gered.

Architectonische dilemma’s

Hergebruik betekent dus lang niet altijd dat gebouwen ongeschonden blijven. Soms vergt dat radicale ingrepen, die bij architecten grote dilemma’s oproepen. Hoeveel en wat behoud je? Hoeveel en wat wordt gesloopt? En in geval er veel nieuwbouw bij komt: wat wordt dan de relatie tussen het oude en het nieuwe?

Lang heeft er een zeker taboe gerust op te grote contrasten tussen oud en nieuw. Dat taboe geldt tegenwoordig minder dan vroeger, maar kan nog altijd invloedrijk zijn. Dat kan wel om extra gedrevenheid vragen, zoals de renovatie van een IJzergieterij in Hengelo toont. Alleen door compacte hoogbouw aan weerszijden van de monumentale werkhal toe te voegen, was het mogelijk deze in volle glorie te herstellen. Daartoe moesten sommige bouwdelen worden gesloopt, wat bij omwonenden en belanghebbenden op bezwaren stuitte. Dat leidde tot een rechtszaak die de opdrachtgever won, en waarmee dus ook de architecten in het gelijk werden gesteld.

De meerwaarde van een integrale aanpak

Herbestemming mag bij uitstek een opgave voor architecten zijn; dat betekent zeker niet dat succes alleen van hen afhangt. Want hoewel herbestemming een volwaardige ontwerpopgave is, vergt deze extra inzicht in bouwkundige zaken. Voor veel architecten is dat een uitdaging. Het nodigt uit tot verbreding van de eigen kennis en meer betrokkenheid bij het daadwerkelijke bouwen. Ook zal er, meer dan bij de meeste nieuwbouw, moeten worden samengewerkt in een veelzijdig team.

Mooi voorbeeld is het Amsterdamse pakhuis De Zwijger, waar architect André van Stigt om advies werd gevraagd. Bij dit gebouw was er aanvankelijk bij niemand twijfel dat dit behouden zou moeten worden. Door een te snel begin met een duur en technisch riskant plan, werd het alsnog met sloop bedreigd. Nu pas werd Van Stigt ingeschakeld en hij voerde samen met constructeur en aannemer ingrijpende onderzoeken uit. Dat leidde weer tot het plan om het gewenste programma op een andere wijze in het gebouw te passen. Zo is De Zwijger alsnog gered.

Zeker wanneer er grote tijdsdruk is, blijkt een integrale aanpak noodzaak. BK City, het onderkomen van de faculteit Bouwkunde in Delft, is in slechts enkele maanden compleet verbouwd. Om in dit tijdsbestek de juiste beslissingen te kunnen nemen, moesten vele krachten gebundeld worden. Architecten Braaksma en Roos, die al betrokken waren bij de beoogde herbestemming tot appartementencomplex, werden aangesteld als supervisor. Fokkema architecten en MVRDV, die al bezig waren met de plannen voor het toenmalige (in 2008 afgebrande) faculteitsgebouw, kregen opdracht de inrichting uit te werken. Octatube, gespecialiseerd in glas-staalconstructies, ontwierp de nieuwe serres. Maar het grootste geheim van deze succesvolle integrale aanpak was de nauwe samenwerking tussen vele specialisten. Een grote groep adviseurs stond het architectenteam bij.

Het belang van onderling vertrouwen

Zelfs de bundeling van vele soorten vakmanschap garandeert echter geen succes, bij alle hergebruik. Gewoonlijk moet door de architecten ook worden samengewerkt met eigenaars/opdrachtgevers, en vaak met toekomstige gebruikers. Dat vraagt van de betrokken architect behalve vakmanschap ook mensenkennis, én overtuigingskracht.

Vaak is er een actieve groep betrokkenen die persoonlijk het behoud van zo’n complex heeft bevochten. De eerste voorwaarde om ideeën levensvatbaar te krijgen, is dan een goede vertrouwensband met hen. Nergens blijkt dit beter dan bij het Dobbelmanterrein in Nijmegen, waar strijdbare buurtbewoners de fabrieksgebouwen hadden gered, maar zelf dus ook uitgesproken ideeën hadden over de herinrichting. Hoe inspirerend die ideeën ook waren, ze waren wel soms losgezongen van de financiële haalbaarheid. Voor architect Marlies Rohmer (en haar team) was het, naar eigen zeggen, even belangrijk om een goede relatie te hebben met de wethouder, als met de toekomstige bewoners. Wel bleek hier duidelijk dat zoiets niet goed gaat zonder iemand die boven de partijen staat en leiding geeft – een positie die in dit geval trouwens op uitstekende wijze werd ingenomen door de betrokken opdrachtgevers.

De noodzaak van souplesse

Hergebruik, het is al gezegd, stelt eigen eisen. Een daarvan moet nog speciaal worden genoemd: het is opmerkelijk vaak belangrijk om vooropgestelde ideeën over het uiteindelijke resultaat een beetje los te kunnen laten. Je kunt nog zulke mooie plannen maken en nog zo goed de bouw voorbereiden – waneer het breken en verbouwen eenmaal is begonnen, ontstaan haast altijd weer ‘verrassingen’.

Dat betekent dat van alle partijen, maar met name ook van de architect, souplesse wordt gevraagd. Er moet vaak, telkens opnieuw, met een frisse blik worden gekeken naar dezelfde vragen. Ook moet men bereid zijn ‘mee te bewegen’, als in de loop van het project nieuwe inzichten of andere financiële gegevenheden ontstaan.

Externe omstandigheden kunnen soms extra risico inbrengen, zoals bij de Jedelooschool in Zaandam. De waarde van dit mooie gebouw in Amsterdamse Schoolstijl werd alom ingezien, maar de financiële haalbaarheid van herbestemming was afhankelijk van een nieuwbouwplan waar omwonenden bezwaren tegen hadden. Dat leidde tot procedures die de verbouw jarenlang vertraagden, en ook aanpassingen van het verbouwplan noodzakelijk maakten.

Bij de reddingsplannen voor De Lichttoren in Eindhoven speelde dit nog sterker. Het oorspronkelijke plan (een bekroond prijsvraagontwerp) stond voor een radicale aanpak, met ingrijpende veranderingen van de gevels. Dit project werd echter telkens vertraagd, mede door de inzakkende kantorenmarkt: opdrachtgevers veranderden en daarmee ook de inhoud en de opzet van het plan.

Een dergelijke situatie komt vaker voor, en kan grote consequenties hebben. In geval van de Lichttoren moest het oorspronkelijke karakter van de fabriek naarmate de tijd verstreek steeds meer behouden blijven. Ook de inrichting veranderde, met steeds meer nadruk op flexibiliteit. Architect Jan Verrelst van AWG architecten stelde zich buigzaam op en verklaarde niet zozeer aan een uiterlijk beeld te hechten alswel aan een goed verlopend proces. Maar niet elke architect is zo flexibel.

Het belang van een visie

Eén misverstand moet nog uit te weg worden geruimd. Dat is dat een keuze voor hergebruik vooral moet worden gemaakt op financiële gronden. Natuurlijk, geld speelt een rol – maar dat is het belangrijkste niet. Veel essentiëler voor het succes van herbestemming is dat deze voortkomt uit een heldere visie, en dat in combinatie met een krachtig architectonisch concept.

Als dergelijke dragende ideeën er eenmaal zijn, dan blijkt ook vaak dat men heel anders naar de rekensommen gaat kijken. Of hergebruik duurder of goedkoper is dan nieuwbouw, hangt namelijk af van welke rekenmethoden men hanteert. Op korte termijn kan sloop en nieuwbouw goedkoper lijken, maar als men langere perioden in ogenschouw neemt, en de financiën in breder perspectief beziet, kan herbestemming toch méér winstgevend zijn. Het gaat vaak om verstrekkende keuzes, en ook om immateriële waarden.

Neem de Caballerofabriek in Den Haag, die overigens ook commercieel gezien een succes is. Deze is omgebouwd tot bedrijfsverzamelgebouw waarin het idee van ‘kruisbestuiving’ centraal staat. De architecten van Group A hebben zich sterk ingezet om dit concept overeind te houden en tot in de kleinste details door te voeren, dit in nauwe samenspraak met opdrachtgever en adviseurs. Dankzij de vasthoudendheid waarmee alle betrokkenen dit concept bewaakten, kreeg dit oude gebouw werkelijk een nieuw leven. Zowel in de architectuur, de opzet als de financiële organisatie is kruisbestuiving het uitgangspunt. Dat alles maakt dat dit gebouw nu - met zijn transparante wanden en deuren, extra brede gangen en een grote variëteit aan ruimten - een echte broedplaats voor creatieve bedrijven is. Hier is niet alleen een gebouw gered, maar iets nieuws ontstaan dat iets moois uitstraalt. Een bijzonder ideaal wordt door de historische context versterkt.

Zo ook toont De Lichttoren in Eindhoven dat financiële overwegingen grote invloed hebben, maar uiteindelijk niet het succes bepalen. Dat dit project uiteindelijk is gelukt, is hier vooral te danken aan een opdrachtgever met een krachtige, idealistische visie. Al had ook het stadsbestuur hier invloed, omdat men steeds meer inzag dat dit industriële monument voor ‘het gezicht van Eindhoven’ grote waarde had. Beide schiepen daarmee nieuwe mogelijkheden voor de architect, die deze vervolgens ook wist uit te buiten. Zo is ook hier uit een oud gebouw een nieuw complex met grote uitstraling ontstaan.

Het geloof in dergelijke idealen, kan naïef of al te optimistisch lijken. Veel voorbeelden van hergebruik laten zien dat het uiteindelijk meestal ruimschoots loont. Zo kan door hergebruik verloedering van een buurt worden gestopt, of worden voorkomen dat een stad een belangrijk herkenningspunt verliest. Het kan de versterking betekenen van een buurtidentiteit, en de redding van een stedenbouwkundige structuur.

Die laatste factoren zouden eigenlijk consequent in de financiële plaatjes moeten worden meegerekend. Ze zijn echter moeilijk meetbaar en worden daarom helemaal niet meegeteld. Dat dit jammer is, bewijzen de succesvolle projecten. De waarde van alle indirecte, maatschappelijke gevolgen is dikwijls onbetaalbaar groot.

Deze tekst is in opdracht van de BNA geschreven door Hilde de Haan en Kirsten Hannema.